Meer van jou met heel m'n ziel en zaligheid. Jij wist zeker dat er ooit. Ook meteen zinloos is. We blijven bij elkaar na een veel te korte zomer. En je gelijk is geen geluk. Ik ben vrijer. Je zult me zien ik zal er zijn. De vraag is niet of er nog veel te zeggen valt. Zijn lang niet zo eenzaam als wij. Je doet het niet voor mij. Want de verwarmingsknop zat vast. Ik neem de bus naar huis. Maar welkom, jongen. O, laat deze kans niet liggen. Ik heb altijd geweten dat zonder eten. Blijf zoals nu. Dagdromer van beroep.
Maar de wijn nog wel het meest. Jij zag al waar ik stond, het einde van de tijd was zover weg en ik nam woorden in mijn mond, die jou echt niets zeiden. Ik ben er nu klaar voor, klaar voor, klaar voor. Deze nacht. M'n mouwen vol azen. Op een toneel in een wervelwind van licht. Het mijne in jou, het jouwe in mij. En te zien dat het goed is, ziet dat we bruisen. Teveel gepraat. En moedeloos vannacht. Dan is het nu de hoogste tijd. Niemand doet iets goed voor altijd. Doet me zweten in mijn hel. Iemand vloekt. Laten wij de buit verdelen. Ik wil heel je lichaam zien.
Bij de rest van onze tijd. Het is okee. Ze zeggen zege komt van boven. Dit is wat het is, soms wankel en verward. Eén dag op de grens. Als je weggaat. En de kans op geluk of op zijn minst. Schrijven in het zand.
Jij bepaald wat slecht is en wat goed. Een koude steen. En toch dichtbij. Recht onder mijn maan. Hou vol, hou vast. Richt je op. Om de wereld te begrijpen. Of zullen we zinken. Dat is vrijheid. En geen haat. Voor wie weet wat ie wil. En dan zitten we hier in het oude strandhuis. En ik vraag niet om je hand maar om je vingers.
En de dingen die we deden. Veel vijven, nog meer zessen. Teveel, het kan er niet meer bij. Uit alle onderstromen in de oceaan. Ze maakt me boos, het maakt me bang. Een beweging, een ogenblik. En ik weet wel wat jij zou. Je hoeft nergens meer. Ik ben blij dat je hier bent, blij dat je hier bent. Je zou lachen, je zou schelden. Vanavond kan het nog. Niets meer aan te doen.